Misantropenmail: de liefde voor uitvaarten

De laatste tijd barst onze mailbox uit z’n voegen. Sommige kiezers sturen ons steunbetuigingen (doet ons goed). Anderen mailen tips, variërend van hoe je off grid in een boshut kunt overleven tot hoe je zoveel mogelijk slachtoffers maakt bij een school shooting (we denken dat die mails afkomstig zijn van teleurgestelde kiezers). Verder gaat het om klachten over medeburgers (snappen we) en ontboezemingen (niet zelden intieme). Hoewel we inmiddels extra mankracht moeten inzetten bij het verwerken van al die mail geeft het ons toch vooral een warm gevoel dat mensenhaat kennelijk zo intens beleefd wordt in Nederland!

Onlangs publiceerden we een mail van Hans, die ons schreef over zijn ervaringen in het openbaar vervoer. De angstaanjagend treffende beschrijving ging viral. Het leidde tot een crowdfundingsactie, die €7500 opleverde, bijna genoeg voor een Altijd Vrij-jaarabonnement van de NS, 1e klas uiteraard, zodat Hans de verschrikkingen die zich toch hoofdzakelijk afspelen in de 2e klas voorlopig niet meer hoeft mee te maken.

Vandaag publiceren we een mail van een kiezer die graag anoniem blijft. Naam en adres zijn bij de redactie bekend.

Beste Partij voor de Misantropen,

Er moet me iets van het hart.

Omdat ik de zestig inmiddels ruim gepasseerd ben kom ik steeds vaker op uitvaarten. Als antropofoob ontduik ik al een leven lang door mensen georganiseerde bijeenkomsten, maar voor een afscheidsdienst maak ik tegenwoordig graag een uitzondering. U moet weten: mijn angst voor mensen heeft de behoefte aan gezelschap nooit helemaal doen verdwijnen en buiten de muren van mijn driekamerflat waan ik me nergens zo geborgen als op een begrafenis of crematie.

Bezorgt alleen de uitnodiging voor een verjaardagsfeestje me al angstzweet en slapeloze nachten, een uitvaart is zo veilig als een sociale gelegenheid maar kan zijn. Er hoeft nauwelijks gepraat te worden en de weinige woorden die over je lippen komen bestaan vrijwel geheel uit voorgekookte clichés. Het handjevol etiketten dat op uitvaarten geldt is overzichtelijk en bovenal: er wordt nauwelijks iets van je verwacht. Je aanwezigheid volstaat om waardering te oogsten en het is bijna onmogelijk om fouten te maken. Zet je mobiel op stil (liever nog: laat ‘m in de auto liggen!) en je hebt het moeilijkste gedeelte eigenlijk al wel gehad. “Gecondoleerd” zeg je na afloop met een uitgestreken gezicht, je hoofd net ietsje scheef. “Fijn dat je er was” zeggen de nabestaanden terug, hun ogen rood van de tranen, maar dat is voor de verandering eens niet omdat jij iets verkeerds hebt gezegd. Plechtig knik je nog een keer terwijl je met een haast euforisch gevoel plaats maakt voor de volgende in de rij.

U mag best weten, ik heb mezelf versteld doen staan. Met geen kanon ben ik een café of sportkantine in te krijgen, maar bij de gang van de auto naar de hal van een uitvaartcentrum kost het me tegenwoordig moeite een huppel te onderdrukken. En dan te bedenken: de meeste begrafenissen die ik in de afgelopen jaren bijwoonde waren verre van kleinschalig. Soms waren er honderden gasten, samengepakt in reusachtige aula’s. Maar de haast existentiële angst die onlosmakelijk verbonden was met zelfs de meest pietluttige sociale gelegenheid blijft op uitvaarten achterwege.

De gemiddelde Nederlandse uitvaartdienst is dan ook prettig voorspelbaar: op de voorste rij zitten naaste familieleden en vrienden. Zij verkeren zichtbaar in diepe rouw. De tweede rij is gereserveerd voor verre familie en goede bekenden. Achter de verre familie en de goede bekenden rijen vol mensen zoals ik: passanten, wier levensweg ooit eens kruiste met het pad van de overledene of met dat van één van de naaste familieleden. Oud-collega’s van kantoor, de buren van de camping, de voorzitter van de hockeyclub die namens het bestuur een boeket heeft meegenomen. Een uur later zitten zij weer op een zwembadrand bier te drinken, of ze doen hun belastingaangifte. Zelf heb ik een sterke voorkeur voor de achterste rij.

Op de achterste rij wordt geen bijdrage van je verwacht en toch maak je (oké een bescheiden) onderdeel uit van een groter geheel. Voor mij is het een haast verslavende ervaring. Het echte werk ligt bij de nabestaanden, die om onduidelijke redenen door bureaucratische machten gedwongen worden om in een paar dagen tijd een krankzinnige hoeveelheid regelwerk te verzetten en ook nog eens toespraken te schrijven, die zij moeten voordragen aan ons passanten. Op de achterste rij hoef je weinig anders dan te kijken en te luisteren. Hoe zitten de naasten erbij? Zitten ze strak in het pak of zijn ze casual gekleed (dat laatste is wat mij betreft één van de grootste plagen van deze postmoderne tijd). Hebben ze op een natuurlijke manier controle over hun emoties of zitten ze zichtbaar aan de benzodiazepines? Zijn er kinderen aanwezig en zo ja, worden die geacht hun mond te houden, of mogen ze geheel in lijn met moderne opvoedtechnieken ongestoord overal doorheen tetteren? Zijn de speeches goed opgebouwd of hangen ze aan elkaar van anekdotes? Is de muziek smaakvol? Lukt het de weduwe om haar toespraak te volbrengen zonder in tranen uit te barsten?

Soms probeer ik me voor te stellen dat haar stem hapert en dat ik dan precies op het goede moment en zonder aarzelen naar voren loop en mijn arm om haar schokkende schouders leg. Langzaam, met kraakheldere stem lees ik het restant van de tekst voor van haar betraande A4´tje. De mensen in de zaal mompelen en knikken zachtjes hun hoogachting.

Hoe een uitvaart wordt vormgegeven zegt weinig over de overledene en alles over de nabestaanden. De variatie is ongekend. Sommige uitvaartdiensten zijn van een hemelse schoonheid, andere werken op de lachspieren of zijn lelijker dan een gokverslaafde hoer in een snackbar in Lelystad. Ik heb een nabestaande zelfgeschreven rapteksten zien voordragen. Zijn baseballpet hield hij op. U mag me aan de leugendetector leggen als u denkt dat ik dit verzin.

Een sociaal dier zal ik nooit worden, maar met al die uitvaarten van de laatste tijd spreekt hier toch een tevreden mens. Uitvaarten zijn mijn heimelijke liefde geworden, de enige plek waar ik me écht verbonden weet met de ander. Voor geen goud zou ik ze willen missen.

PS: Zelf wil ik, als mijn tijd gekomen is, in besloten kring begraven worden. Die besloten kring bestaat dan uitsluitend uit mensen die het erg vinden dat ik dood ben. Zonder zelfmedelijden kan ik zeggen dat die groep van bescheiden omvang zal zijn.