Even voorstellen: Victor Kinneging

In de rubriek “ons electoraat” maakt u kennis met (potentiële) kiezers van de Partij voor de Misantropen. Eerder ontmoette u al Laurens en Heleen de Croo. Vandaag is het de beurt aan Victor Kinneging.

Mijn naam is Victor Kinneging, ik ben gepensioneerd psychiater te Amsterdam. Mijn vader Ferdinand Kinneging, die tot en met de politionele acties majoor was in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger, bepaalde op mijn geboortedag (niet dan nadat hij zich er met eigen ogen van had verzekerd dat ik van het mannelijk geslacht was) dat ik net als hij en mijn grootvader Leopold Kinneging militair zou worden. In die geest ben ik opgevoed.

Mijn beide ouders hebben de jappenkampen overleefd. Na de Oorlog vochten zij tevergeefs voor het herstel van het Indië dat zij hadden gekend. Indië verloren, rampspoed geboren. In 1949, ik was amper drie jaar oud, keerden zij, met mijn oudste zus en mij terug naar Nederland. We vestigden ons in de Haagse Archipelbuurt en probeerden er het beste van te maken.

Vlak voor mijn vijftiende verjaardag overleed mijn vader, volgens mijn moeder aan de gevolgen van een schedelbreuk door een vallende dakpan, maar vele jaren later vernam ik dat mijn vader, die al jaren had getobd met zijn gezondheid, in werkelijkheid overleed aan de gevolgen van een verwaarloosde gonokokkeninfectie.

Mijn moeder zei dat ik in plaats van militair maar beter arts kon worden. Dat vond ze een “waardig” beroep. Ik ging geneeskunde studeren in Amsterdam. Bij een hospita vond ik voor zestig gulden per maand onderdak in een gemeubileerde zolderkamer. Damesbezoek was uit den boze. Na mijn eerste aanraking met de psychiatrie wist ik het zeker: ik zou psychiater worden en vervolgens geneesheer-directeur van een gerenommeerd gesticht.

In niets leek het Amsterdam van de jaren zestig op mijn verwachtingen. Net als elders in de wereld eisten ook hier “vrije” geesten democratisering van de universiteiten, wat dat ook betekenen mocht. Zelfs vrouwelijke studenten gedroegen zich losbandig en provocerend en predikten openlijk de seksuele revolutie. Voor velen was Mao Zedong een held en niet een schurk. Het kon allemaal niet radicaal genoeg.

Ook de psychiatrie ontkwam niet aan de tirannie van de tijdgeest. De gestichten moesten ontbonden worden, de patiënten god weet waarom terug de wijken in. Psychofarmaca vervingen lobotomie en elektroshocktherapie. Het was de tijd van de antipsychiatrie.

Na jaren van toewijding in studie, coschappen en specialisatie vond ik emplooi als psychiater in een instelling die ik maar niet bij naam zal noemen. Mijn collega’s, niet zelden met halflang haar tot op de schouders, deden gearmd boodschappen met hun “cliënten” (de term patiënt was uiteraard ten strengste verboden) om de mens “in zijn sociale context” te kunnen aanschouwen. Zonder ironie werd er gesproken over holistische gezondheidszorg. Het hele idee van psychiatrische ziekte kwam ter discussie te staan. De psychiatrie zelf was gek geworden!

Het zal u niet verbazen als ik u zeg dat ik in onmin leefde met de meeste van mijn collega’s. Dat ik de naam had ouderwets te zijn, op het starre af, evenmin. Er werd wel meer beweerd. Dat ik het liefst op elke patiënt lobotomie toepaste bijvoorbeeld, maar die laster deed me weinig. Ik geloofde in mijzelf en stond voor mijn vakmanschap. Maar toen ik een schizofrene patiënt, die al jaren in verwilderde toestand in separatie verbleef, therapeutisch castreerde, daagde men mij voor het Medisch Tuchtcollege. Een vuig en onbewezen gerucht over een affaire met een jonge leerlingverpleegkundige tijdens werkuren was nodig om mij definitief buitenspel te zetten: een onvoorwaardelijke schorsing volgde.

Het zou het einde van mijn carrière als psychiater betekenen. Nooit meer heb ik een lobotomie of castratie uitgevoerd. Misschien is dat maar goed ook. Als ik tegenwoordig psychiaters als Dirk de Wachter, Damiaan Denys en Esther van Fenema op de televisie voorbij zie komen, vrijuit en populairwetenschappelijk leuterend over alles wat de mens aangaat, dan kan ik niet anders dan terugdenken aan mijn langharige collega’s van weleer en dan zie ik zo’n Van Fenema voor mijn geestesoog gearmd met haar cliënt door de supermarkt paraderen. Zonder twijfel zal ze er weer een leuke column over schrijven.

Verbitterd? Ach, wie weet. U mag zelf uw oordeel vellen. In elk geval weet ik één ding zeker. De Partij voor de Misantropen heeft mijn stem tot het moment waarop ik het aardse voor het eeuwige verruil.